Haar vingers trillen terwijl ze de sleutel in het contact stopt en de auto start. Hebben we alles, zijn we niets vergeten? Of niemand, denkt ze er triest achteraan.
De kinderen lachen en roepen naar de buren, die als vanouds klaarstaan om de vakantiegangers uit te zwaaien. Zoals ieder jaar, maar toch is alles anders.
Moedig steekt ook zij haar hand op. Dan rijdt ze weg, verstand op nul en blik op oneindig.
Was het maar zo gemakkelijk, want ondertussen malen de gedachten door haar hoofd. Ze doet dit niet voor zichzelf, maar voor hen. Haar kinderen. Wat waren ze opgetogen toen ze besloot dat ze dit jaar toch op vakantie zouden gaan. Naar Duitsland nog wel.
‘Mama zal voor het eerst zelf in het buitenland rijden,’ vertelde ze. Met papa’s auto die een maatje te groot voor haar is, maar die ze koestert omdat hij er zoveel van hield.
Terwijl het gebabbel van haar kinderen onverminderd aanhoudt, voelt ze zich geleidelijk aan ontspannen. Ze moet zich gewoon aan dit avontuur overgeven. Niet alleen voor haar kinderen, maar ook omdat hij gewild zou hebben dat ze haar weg door het leven vol goede moed zou vervolgen. Ook zonder hem.
Voordat ze Nederland uit rijden, pauzeren ze bij een snackbar in een grensdorp.
‘Eerst iets eten,’ zegt ze tegen de kinderen.
Maar zelf kent ze de werkelijke reden van de tussenstop. Ze wil het moment waarop ze het land verlaten uitstellen. Al gaan ze maar zeven dagen, het voelt toch als verraad jegens hem. Alsof ze hem in de steek laten. Bovendien wil ze geen nieuwe herinneringen opbouwen, waarvan hij geen deel uitmaakt. Haar hart schreeuwt om deze situatie een halt toe te roepen, om terug te keren naar huis en hun gezinsleven met hem weer op te pakken.
Ze had hem nog zoveel willen vertellen…
Maar het onherroepelijke is gebeurd en heeft hun leven samen voor altijd verscheurd.
Als ze drie porties patat bestelt, voelt ze de plotselinge spanning van haar kinderen. Altijd was hun vader degene die de regie voerde. Nu is zij tegen wil en dank moeder en vader tegelijk.
Voordat ze weer in de auto stappen, kijkt ze nauwlettend om zich heen. Op zoek naar een teken van hem. Maar de straat is leeg en weerspiegelt slechts haar gevoel.
Weer achter het stuur, haalt ze diep adem en rijdt met het zweet in haar handen naar de grensovergang. De kinderen juichen bij het zien van het bord ‘Bundesrepublik Deutschland’.
Tranen wellen op in haar ogen.
‘We hebben weer een grens verlegd,’ fluistert ze tegen de man, die zich voorgoed in haar hart genesteld heeft. Waar zij is, is hij, realiseert ze zich ontroerd. Ook in Duitsland zal ze hem met zich meedragen.
Dan spreekt ze zichzelf vermanend toe en verdringt haar tranen. Het is vakantie.
Ze recht haar rug en rijdt met haar blik op de weg de toekomst tegemoet.

Duizenden kilometers rijd ik per jaar met de auto. Eerlijk waar, ik ben een echte kilometervreter. Ik rijd van hot naar her, privé of voor het werk. Lange afstanden, korte afstanden, ik draai mijn hand er niet voor om. Ik houd me daarbij netjes aan de verkeersregels. In al die jaren heb ik slechts één keer een verkeersboete gehad voor vijf kilometer te hard rijden.  Op het saaie af dus.

Je zou denken dat ik met zoveel kilometers op mijn teller een topchauffeuse ben, maar niets is minder waar. Naar een onbekende stad rijden, is geen probleem. Maar in een onbekende stad rijden? Liever niet!
Als ik er niet onderuit kan omdat ik een belangrijke afspraak heb, maak ik me niet druk over die afspraak, maar wel over dat laatste stukje door de stad.
Voordat ik op weg ga, bereid ik me grondig voor en laat niets aan het toeval over. Omdat mijn autootje niet over een elektronisch navigatiesysteem beschikt, pluis ik vooraf de route door de stad uit. Met behulp van de ANWB routeplanner teken ik een plattegrond. Printen kan ook, maar door de straten en kruispunten te tekenen, beklijft het meer. Tot slot speur ik met Google Earth de betreffende eindlocatie af om te zien, waar – en vooral hoe – ik er kan parkeren. Kom ik er niet uit, dan pak ik de telefoon om precies na te vragen hoe de situatie ter plekke is.
Hoe complex kan een mens in elkaar zitten?
Toch is die grondige voorbereiding geen garantie op succes. Onlangs viel – bij een drukke rotonde – de motor van mijn auto uit en kreeg ik deze niet meer aan de praat. Toen de wegenwacht erbij kwam en deze mijn auto zonder problemen wegreed, daagde er iets bij me. Ik had de motor zelf bij het afremmen laten uitvallen en bij het starten de koppeling niet ingetrapt. Geen wonder dat mijn auto niet startte, maar daarover hield ik wijselijk mijn mond.
Tja, een kat in het nauw maakt rare sprongen en zo voelt het rijden in een vreemde stad voor mij.

Toch jaagt één ding me nog meer de stuipen op het lijf: parkeren.
Toen ik pas mijn rijbewijs had, ging het voor de eerste keer mis. Niet met inparkeren, maar met uitparkeren na een bowlingavond in Haarlem. Terwijl de collega’s van mijn vriendje ons uitzwaaiden, zette ik zijn auto vol bravoure in z’n achteruit. Natuurlijk had ik goed achter me gekeken. Er stond helemaal niets in de weg, zeker weten. Pas toen we met veel kabaal tot stilstand kwamen, realiseerde ik me dat ik het parkeervak uitdraaide en dat alleen achter me kijken niet voldoende was geweest. Onder het toeziend oog van al die collega’s had ik een gigantische deuk gereden in de auto, die mijn vriendje net van zijn vader had overgenomen. De auto, waar zijn pa zo zuinig op was geweest. Tja, een ijzeren hek rond een boom geeft nu eenmaal niet mee.

Het bleef niet bij die ene keer. Enkele jaren later hadden wij een carport achter ons huis in Alphen aan den Rijn. Dagelijks reed ik mijn auto daar in en uit, na het aanvankelijk wel eng te hebben gevonden. Maar de terugkerende handeling, ging mij steeds gemakkelijker af.
Totdat ik zwanger was, althans daar wijt ik het maar aan. Het geluid, dat ik toen bij het uitrijden van de carport hoorde, ging door merg en been. Hoe het kan, begrijp ik nog niet, maar ik had bij het uitdraaien de auto in zijn volle lengte langs de hoek van de carport geraakt. In paniek kon ik maar één ding bedenken: direct die auto weer terugzetten in de carport, dus hupsakee in zijn achteruit! Nog maanden heb ik het schurende geluid van die vervolgactie gehoord. De groef, die al bij uit uitdraaien over de hele zijkant was ontstaan, was nu nog nadrukkelijker aanwezig.

Na al die jaren kan ik nog steeds niet fatsoenlijk inparkeren en – getuige voorgaande – ook niet uitparkeren. Als er geen parkeerplaats is waar je recht en ruim in kunt rijden, dan parkeer ik mijn auto liever verder weg, waar het wel gemakkelijk lukt. Van de zijkant inparkeren kan ik al helemaal niet en parkeergarages mijd ik. Tot die ene keer, nog niet zo lang geleden.
Met een vriendin ging ik naar Martiniplaza in Groningen. Ik kon me herinneren dat daar vlakbij een veldje was, waar je makkelijk kon parkeren. Eitje, dacht ik, en had me daarom alleen op de route voorbereid en niet op alternatieve parkeerplekken. Het veldje was echter niet terug te vinden in het donker. Ik had geen andere keus dan de P-borden van Martiniplaza te volgen. Tot mijn ontzetting werd ik naar een parkeergarage geleid, waarvan het parkeerdak gesloten was. De parkeerwachters dirigeerden me naar de ingang van de garage. Grote paniek! Bij mij, niet bij hen.
Ik draaide het autoraampje open, stak mijn bovenlijf en zwaaiende armen naar buiten en riep theatraal: ‘Néé! Dat durf ik niet!’
De ene parkeerwachter keek de andere  aan. Ik hoorde hem denken ‘een vrouw achter het stuur’, maar de ander had waarschijnlijk een vrouw met een parkeerfobie. Begripvol deed hij de slagboom naar het dak open en sloot deze direct achter mij. Zo belandden wij in luilekkerland. Een heel dak met lege parkeerplaatsen. Voor ons alleen! Al parkeerde ik mijn auto dwars, het kon gewoon!
Wij voelden ons de koning te rijk en lachen er nog regelmatig om.

Zo heb ik nog veel meer gekke parkeercapriolen meegemaakt.

Afgelopen zomer besloot ik dat het maar eens over moest zijn met mijn parkeerfobie en reed ik – met kloppend hart – samen met mijn dochter een parkeergarage in Almere in. Wel slim van mij om mijn fobie daar aan te pakken. Een nieuwe parkeergarage betekent immers ruime plaatsen.
Zo waar, het parkeren ging moeiteloos. Wat voelde ik me triomfantelijk, ik had mezelf overwonnen!
Optimistisch gestemd togen we, na het winkelen, de parkeergarage weer in om de auto op te halen. Bij het uitdraaien van het parkeervak keek ik alle kanten op en concludeerde  dat ik maar één richting op kon. Makkie. Ik stopte bij iets, wat op een poortje leek, maar kon er niets met mijn parkeerkaartje. Niets aan de hand, de slagboom ging toch omhoog. Ik gaf een dot gas en hoorde op datzelfde moment een roepende stem vanuit een luidspreker. Was dat tegen mij? Geen idee wat er aan de hand was. Onnozel reed ik door, langs de remmende automobilist, voor wie – zoals ik nu begreep – de slagboom was opengegaan. Ik had de parkeergarage via de ingang verlaten.
Ontzet, maar tegelijkertijd dubbel liggend van het lachen, hebben mijn dochter en ik onze reis naar huis voortgezet. Het parkeerkaartje ligt nog als stille getuige in mijn auto.

Je vraagt je misschien af, hoe het kan dat iemand met zoveel kilometers op haar conto niet kan inparkeren. Misschien ligt de oorsprong daarvan in mijn jeugd toen ik met mijn moeder meeging naar de rechtbank in Haarlem. Zij moest daar de voogdijschap over haar kinderen regelen, na het veel te vroege overlijden van mijn vader. Mijn moeder reed in de Ford Taunus van mijn vader, een slee van een auto. Te groot voor de te krappe parkeerplaatsen van parkeergarage De Raaks. Nooit meer zal ik vergeten hoe ze bij het inparkeren de betonnen paal raakte. De missie, die we in Haarlem te vervullen hadden, was al zwaar, maar dit – mijn vaders auto beschadigd – maakte het loodzwaar.

Het is de schrijfster in mij, die graag dramatiseert, altijd op zoek is naar een reden – een motief, een oorzaak – en daarom mijn parkeerfobie graag toeschrijft aan dit voorval uit mijn jeugd.
Of is het de schrijfster in mij, die een gebrek aan ruimtelijk inzicht te banaal voor woorden vindt?

Vandaag – 28 juni 2011 – heb ik een vrije dag, maar heb toch de wekker op half 7 gezet. Ik ga namelijk een dagje naar mijn moeder, die zo’n 200 kilometer bij mij vandaan woont.
Bepaald uitgerust ben ik niet doordat ik onrustig heb geslapen. Waarschijnlijk omdat ik er helemaal niet van hou om mij door de week op de Nederlandse snelwegen te moeten begeven. Kortom, om de files in te duiken.
Daarom ga ik normaalgesproken in het weekend naar mijn moeder, dan draai ik mijn hand niet om voor die 200 kilometer. Lekker Skyradio aan en meezingen maar. Of eindelijk eens tijd hebben om over tal van zaken na te denken terwijl ik mijn ogen op de snelweg gericht houd.
Dit keer ga ik echter op een dinsdag. Onrustig geslapen dus, maar uiteindelijk toch in slaap gevallen om door het nieuws van half 7 gewekt te worden. Ik word altijd door het nieuws gewekt, zodat ik bij het ontwaken direct weer midden in de wereld ben. Met mijn ogen dicht luister ik naar het nieuws.

‘….. spectaculaire achtervolging op de A2. De snelweg is afgesloten omdat de politie een auto volgt, die zojuist een geldtransportwagen heeft overvallen. De auto is gecrasht op de A2 en in brand gevlogen, maar de overvallers wisten een auto van een medeweggebruiker in beslag te nemen en zijn verder gevlucht. De A2 is daarop afgezet en de politie heeft de achtervolging verder ingezet.’

De A2, daar hoef ik gelukkig niet over, bedenk ik opgelucht. Waar de A2 ligt, weet ik overigens niet. Het is in ieder geval niet een weg waar ik ooit kom.

Tweeënhalf uur later luister ik naar het nieuws op de autoradio. Vreemd, er wordt niets over de overval gezegd. Ook de twee volgende keren – ja, file! – hoor ik geen berichten over de overval.

Drie uur later ben ik bij mijn moeder – een uur langer dan gewoonlijk onderweg geweest; nooit ga ik meer door de week!  – en ben ik het hele voorval weer vergeten.
Pas wanneer ik ’s avonds thuis kom en ik bij mijn gezin in het tuinhuisje ga zitten, schiet mij de overval weer te binnen.
‘Wat was dat nou vanmorgen met die overval op de geldtransportwagen?’
Ze kijken mij allemaal vragend aan. ‘Wat bedoel je?’ ‘Nou, dat bericht over die overval en die achtervolging op de A2.’
Ineens valt het kwartje bij mijn man. ‘O, je bedoelt die bankmedewerker, die een enorm bedrag heeft verduisterd.’
Nu is het mijn beurt om verbaasd te kijken. Over dit bericht heb ik helemaal niets gehoord. Ik vertel nog een keer wat ik op het nieuws hoorde, maar ook de kinderen hebben er niets over gehoord. Ik haal mijn schouders op. Later zal ik er nog wel iets over lezen in de krant, neem ik aan.

Woensdag 29 juni 2011, half 7. De wekker loopt af.

‘De politie heeft de A2 afgezet vanwege een spectaculaire achtervolging van overvallers van een geldtransportbedrijf in Amsterdam. De overvallers hebben de auto tegen een vangrail gecrasht en hebben een automobilist tot stoppen gedwongen om er in diens auto van door te gaan …’

Ik zit rechtop overeind in bed. Dit kan niet! Gisteren heb ik dit bericht al gehoord.
Direct komt het beeld van de film Groundhog Day bij mij op, waarin een weerman elke ochtend op dezelfde manier wakker wordt, dezelfde dingen meemaakt en hetzelfde nieuws moet presenteren. En nu overkomt mij dit ook.

Dit is zo ongeloofwaardig, dat ik blij ben dat ik de avond daarvoor aan mijn man en kinderen naar het bericht heb gevraagd en er zelf ook over heb verteld. Dat is mijn bewijs dat ik het bericht al had ‘gehoord’ voordat de overval heeft plaatsgevonden. ‘Gehoord’ tussen aanhalingstekens, want ik weet nu dat ik het niet gehoord kan hebben, maar dat het op een andere manier tot mij is gekomen.
Mijn zus denkt dat ik ’s nachts zo onrustig was doordat ik de te rijden route en de eventuele files in gedachten ben nagegaan. Daardoor ben ik misschien op de golflengte van de overvallers terechtgekomen. Zij hebben immers een deel vandezelfde route gereden. Het is niet ondenkbaar dat zij ook onrustig waren en in gedachten met de route bezig waren. Misschien reden ze de route toen als proef voor het grote moment.

Wie zal het zeggen?

Mijn kinderen hadden het al gezegd: ‘Je haar is te donker.’
Zelf dacht ik dat het wel meeviel, maar vandaag kreeg ik uit onverwachte hoek een bevestiging van hun woorden.

De laatste jaren is mijn warrige haarbos vanzelf uitgedund en lichter dan donkerblond geworden. Wie denkt dat het een fluitje van een cent is om het haar naar de eigen kleur terug te brengen, komt bedrogen uit. Alles wat ik erop aan breng, maakt het donkerder dan het ooit is geweest.

Ik begon al weer een tijdje terug met bruin. Effect: zwart.
Daarna probeerde ik middenbruin uit, dat moest toch wel de goede kleur zijn.
Weer mis; mijn haar werd slechts iets lichter dan zwart.
Nadat mijn haar in de woestijn wel erg licht van kleur was geworden, was het tijd voor een nieuwe haarkleur. Lichtbruin dit keer. Nu zou het helemaal goed komen.

‘Mam, je haar is veel te zwart en hier en daar zelfs paars.’
Shit, dat was niet de bedoeling!

Snel het haar gewassen in een poging het weer lichter te maken. Het paars ging er uit, maar het zwart bleef.
Het zwart bleef niet onopgemerkt, merkte ik vandaag in gesprek met een cliënt.

Midden in zijn verhaal keek hij mij ineens aan.
‘Ben jij Indisch?’
Even voelde ik mij gestreeld. In mijn ogen zijn Indische mensen namelijk knap.
Er was geen verleiding om hem in die waan te laten want als vertrouwenspersoon moet ik natuurlijk eerlijk zijn.

‘Nee, ik ben niet Indisch. Waarom dacht je dat?’
Misschien wel door mijn donkere haar in combinatie met mijn door de zon gebruinde huid?
Hij beantwoordde mijn vraag niet maar liet opgetogen blijken dat hij de verklaring voor mijn uiterlijk had gevonden.

‘Als je niet Indisch bent, dan ben jij natuurlijk een kamper!’

In eerste instantie ging er een glimlach over mijn lippen. Een kamper, dat mij dat nog eens gezegd zou worden. Ineens zag ik mijzelf weer als veertienjarige, die de kelder in dook op zoek naar oude kleding van mijn ouders om deze  te vermaken tot …. zigeunerkleding.
Tot ontsteltenis van mijn moeder liep ik in de meest vreemde gewaden, gemaakt van haar oude jurken of van mijn vaders overhemden. Grote oorbellen in mijn oren en mijn lange donkerblonde haren krulden woest langs mijn hoofd en over mijn schouders.
Wat wilde ik graag een zigeunerin zijn. Die mensen met hun vrije leven en hun vrije geest!
Bovendien bewonderde ik de zigeuners om hun mooie uiterlijk. Donkere ogen, zwarte haren en lichtgetinte huid.

Na deze flits uit mijn verleden, was ik weer snel terug in het hier en nu.
Ik zag er dus uit als een kamper. Niet bepaald een compliment.
Maar wat een lef! Wat heerlijk dat je zoiets durft te zeggen.
Misschien is dat het enige voordeel van licht verstandelijk beperkt te zijn?

Aan het einde van mijn werkdag – in de auto, een goed moment voor overdenkingen – dacht ik weer aan de woorden van deze cliënt.
En moest er vreselijk om lachen. Gelukkig maar, voor hetzelfde had ik mij diep beledigd gevoeld.
Ik herinnerde mij ineens weer een andere cliënt, die onlangs ook een opmerkelijke constatering had gedaan.

In de eerste zomerzon hadden we ons gesprek in de tuin gevoerd.
Hij had mij zijn ontboezemingen gedaan en vond het toen blijkbaar tijd om mij ook eens een openhartige vraag te stellen. ‘Marcella, ben jij onzeker?’
Zijn vraag verraste mij.
Direct bedacht ik mij dat die vraag een gesprek over zijn eigen onzekerheid zou moeten inleiden.
Het leek mij dan ook goed hem alvast gerust te stellen.
‘Soms lijken mensen heel zeker, maar ieder mens heeft wel eens momenten waarop hij onzeker is. Ik heb dat ook wel eens.’
‘Ja, dat dacht ik al.’
Nu was mijn nieuwsgierigheid gewekt. ‘Hoezo?’
‘Nou….’ hij keek vanuit zijn ooghoeken naar beneden.
Ik volgde zijn blik en zag uit mijn opengewerkte zomerschoenen een paar felgekleurde teennagels naar buiten kijken.
Hij keek weer omhoog, naar mijn gezicht en maakte zijn zin af.

‘Nou, ik denk maar zo dat wie zich achter knalrode lippen en opgesmukte ogen moet verstoppen, wel heel erg onzeker is. Anders heb je dat toch niet nodig?’

Ik vond zijn conclusie geweldig.
Als je met al je zichtbare en onzichtbare beperkingen zo jezelf durft te zijn en zo zeker zoals hij, dan is dat toch geweldig?!
Hij heeft geen kleurtjes nodig om zichzelf neer te zetten. What you see is what you get.

Zonder lippenstift of lijntje onder mijn ogen, ga ìk echter de deur niet uit. Dan vind ik mezelf onverzorgd.
Of is dat onzekerheid?
Zo heb ik dat zelf nooit gezien, voor mij heeft het meer met ijdelheid te maken.

Of is het een ijdele poging om onzekerheid te maskeren?
Misschien was dat ooit zo, lang geleden. Maar nu niet meer.
Toch?

Een beperkte ruimte doet gekke dingen met de mens, zo heb ik gisteren ervaren.
Ik heb een hekel aan het reizen met openbaar vervoer en vermijd dat daarom ook zo veel mogelijk. Geef mij maar de auto, tenzij ik een gratis NS-reisticket in de schoot geworpen krijg zoals gisteren het geval was. Die reis heeft echter al mijn vooroordelen weer bevestigd. Rennen om aansluitingen te halen of juist heel lang wachten omdat ik net weer een aansluiting had gemist. Onduidelijk aangegeven informatie en overvolle treinen omdat er tal van treinen niet reden vanwege uiteenlopende redenen. En dat gewoon op zaterdag. Dat treinen door de weeks overvol zitten, daar kan ik mij wat bij voorstellen, maar op zaterdagavond laat?
Afijn, daar stond ik dus samen met mijn vriendin en nog tal van blanke en gekleurde medelanders in het voorportaal van de trein. Zitplaatsen waren er niet meer en wij stonden opeen gepakt als koeien op weg naar het slachthuis. Als sardientjes in een blik, alleen lagen wij niet, maar stonden wij en hielden wij elkaar daarmee op de been tijdens het gewiebel van de trein. Omvallen was niet mogelijk.
In zo’n situatie kun je niet meer om elkaar heen en ontstaat er vanzelf contact.
Een aantal mensen voerde de boventoon in de opmerkingen, die over en weer gingen.
Een oude man met koffer werd bevolen om op zijn klapstoeltje te blijven zitten tijdens het openen van de treindeuren. Binnenkomende passagiers zouden dan direct zien dat binnenkomen geen optie was.
Ze kwamen toch binnen en wij kwamen nog dichter op elkaar te staan. Eén van de nieuwkomers, een man met een Indonesisch gelaat, waagde het zich verder in het gedrang te wringen om naar het toilet te gaan. Met het trekken aan de toiletdeur duwde hij de mensen, voor zover mogelijk, nog dichter op elkaar. In antwoord op zijn poging om de deur te openen, duwden verschillende mensen tegen de deur aan om deze weer dicht te drukken.
‘U mag niet naar het toilet. Het kan niet.’
Had hij hoge nood of was hij zo slim om een rustig en ruim plekje voor zichzelf te zoeken op het toilet? Wat zijn doel ook was, hij zette door. Onder luid protest van de mensen in de hal. Zodra de man in het toilet was ontstond er een verbond tussen de mensen, die het dichtst bij de deur stonden.
‘Hij mag er niet meer uit’, zei de een. ‘Hou de deur dicht,’ zei de ander.
Het genot op het gezicht van het Turkse meisje dat de deurkruk omhoog hield en haar volle gewicht tegen de deur zette, zal ik niet gauw vergeten. Zij genoot met volle teugen van deze actie. Een oudere dame, die samen met haar kleindochter van een jaar of zeven reisde, duwde ook tegen de deur. Zij plaatste haar voeten tegen de onderkant van de deur om het gewicht tegen de deur te verdelen. Andere mensen sloten zich bij hen aan en duwden mee. De saamhorigheid, die zij ineens voelden, was van hun gezichten af te lezen. Ze keken elkaar samenzweerderig en triomfantelijk aan. ‘Deze man komt niet meer van het toilet af.’
Toen het toilet werd doorgetrokken keken zij elkaar weer aan en woordeloos bundelden zij hun krachten door nog harder tegen de deur te duwen.
En ik? Ik stond samen met mijn vriendin achteraan en heb met wisselende gevoelens tussen alle lichamen door naar dit tafereel staan kijken. Eerst hebben we er met plezier om gelachen. ‘Kijk nu eens wat die mensen doen’.  Maar later keken we met groeiende verbijstering toe. Dit is dus wat er gebeurt met te veel mensen in een te kleine ruimte. Het haalt het slechte in hen naar boven en zij voelen zich ineens verbonden in een actie tegen iemand die toevallig hun weerzin heeft opgeroepen. En waarom? Alleen maar omdat hij naar het toilet moest.
Misschien beschikte de tengere, Indonesische man over magische krachten want het lukte hem om de deur steeds verder open te duwen en onaangedaan uit het toilet te komen. Met een nietszeggende uitdrukking op zijn gezicht is hij daarna tussen de overige passagiers blijven staan.
Zich bewust van mijn lachende gezicht heeft het Turkse meisje, over de schouders van anderen heen, nog een aantal keren een lachende blik naar mij geworpen. Waarom? Waarschijnlijk om bij mij een spiegel te vinden voor de actie die zij en haar medepassagiers hadden gevoerd. Zij vond die spiegel ook, want ik moest nog steeds lachen omdat ik niet kon geloven wat zich daar voor mijn ogen had afgespeeld.
Lachen van verbijstering.

Ik roep het al zolang als ik autorijd: ‘Ik ben nachtblind’.
In het donker verworden de lichten van tegemoetkomende auto’s tot wazige sterren op de snelweg. Wegaanwijzingen zie ik te laat en bochten in de weg doemen onverwachts op.

Nog erger wordt het wanneer het regent.
Dan zou ik het liefst stapvoetsrijden, maar ja, dat schiet ook niet op.
Bovendien vind ik mensen, die te langzaam rijden eigenlijk wegmisbruikers omdat ze door hun te trage vaart anderen tot inhalen dwingen.
Als je – net als ik – in een provincie woont waar veel tweebaanswegen zijn, is inhalen vaak een riskante onderneming.
Zeker in het donker als je nachtblind bent.

Nee, autorijden in het donker is voor mij geen pretje.

Maar eerlijk is eerlijk, soms maak ik er een pretje van!
Want wat is er heerlijker dan na een nachtelijk feestje, als je nog een lange autorit voor de boeg hebt, het excuus te hebben van nachtblindheid?
Zo zie je maar dat ieder nadeel een voordeel heeft.
Twee zelfs want ik hoef de Bob niet te zijn en ik kan heerlijk slapen terwijl mijn partner er voor zorgt dat wij veilig thuiskomen.

Je zou bijna denken dat ik nachtblindheid voorwend omdat dit zo zijn voordelen heeft…

Voor wie dat denkt heb ik nieuws: mijn nachtblindheid is gisteravond bewezen.

Afgelopen weekend is de wintertijd weer ingegaan, dat betekent dat ik gisteravond tegen zes uur in het donker naar huis reed. Geen pretje voor mij dus. Bovendien regende het.
Ondanks het slechte zicht koos ik voor een ongemakkelijke – doch snellere – route door de A28 te verlaten en via een onverlicht landweggetje naar huis te rijden.
Ik was niet de enige, die dat deed.
Achter mij reden verschillende auto’s en ook kwamen meerdere auto’s mij tegemoet.
Het zicht was daardoor gelukkig redelijk.

Ineens zag ik links in de berm een kat liggen.
Een witte kat met wat bruine vlekjes.
Het lijfje gebogen, het koppie naar beneden toe en een pootje daarom heen geslagen alsof de poes zich tegen een aanstormend wiel had willen beschermen.
Tevergeefs want hij was dood.
Tenminste, dat hoopte ik.
Mijn hart deed pijn bij de gedachte aan de aangereden kat.
Bovendien was ik bang dat hij toch nog leefde en pijn leed.
Ik wilde daarom maar één ding: stoppen en kijken of ik de kat nog redden kon.

Mijn verstand won het echter van mijn gevoel.
Het zou onverantwoord zijn om op een onverlichte weg plotseling te stoppen en uit te stappen. Als er geen auto’s achter mij hadden gereden, had ik het er misschien op durven wagen, maar die overweging hoefde ik niet te maken.
Het was nu gewoon te gevaarlijk.

Ik reed door met die lieve witte kat op mijn netvlies en vol schuldgevoel dat ik niets had kunnen doen. Zodra ik thuis was zou ik de dierenambulance bellen.
Het duurde nog wel even voordat het zover was want door een wegomlegging moest ik ook nog omrijden.
Thuisgekomen bleek het niet gemakkelijk te zijn om uit te vinden welke dierenambulance ik moest bellen. Ik belde dus prompt de verkeerde, maar de medewerker van de dierenbescherming zou zorgen dat ik door de juiste regio zou worden teruggebeld.
Dat gebeurde ook en ik was blij uit te kunnen leggen waar de kat lag.

Ongeveer een half uur later werd ik opnieuw gebeld door de dierenambulance.
‘Kunt u mij ook vertellen welke kleur de kat heeft?’
‘Wit,’ zei ik en voelde al enige nattigheid.
‘Heeft u de kat vlak voor een boerderij aan de linkerkant zien liggen?’
‘Ja, inderdaad, na het bord 60 en voor een boerderij.’

Volgde nu het antwoord dat ik sinds het eerste telefoontje met de dierenambulance gevreesd had?

‘Dan was het geen kat, maar een zeemeeuw.’

Ik kon alleen maar opgelucht zijn dat het geen kat was en dat de dierenambulance toch niet voor niets was uitgerukt. Opgetogen riep ik dan ook uit:

‘Gelukkig maar want dode vogels halen jullie toch ook op?’

‘Jaaa…’ was het antwoord waarin enige verbazing over mijn blijdschap doorklonk.

Zij kon ook niet weten dat ik mij in de tussentijd allang had afgevraagd of ik toch niet een stuk papier had zien liggen en de dierenambulance voor niets op pad had gestuurd!

Het heeft mij nog wel even bezig gehouden hoe het kan dat ik die poes zo gedetailleerd op mijn netvlies had gehad. Dat witte lijfje, lieve snuitje en een pootje beschermend langs zijn koppie geslagen…

Bewijs van nachtblindheid of van mijn grote verbeeldingskracht?

We hebben hem nooit als ons kind beschouwd of behandeld, maar hij was een vriend, die deel uitmaakte van ons gezin. Hij was lid van ons gezin. Bijna 12 jaar lang. Hij heeft onze verhuizing van het westen naar het noorden van het land meegemaakt en alleen daardoor al hoorde hij meer bij ons dan alle anderen, die ons gezin daarna kwamen aanvullen.

Maar niet alleen dat maakte het verschil. Maxi was niet zomaar een hond, hij was een mensenhond. Ergens diep van binnen school er een mens in Max. Uit zijn ogen straalde een wijsheid en begrip, zoals ik bij maar weinig honden heb gezien. Ook zijn manier van aanvoelen en reageren was minder honds dan ik bij andere honden zie. Voor mensen, die geen dieren hebben, zal dit vreemd klinken. Maar ik weet zeker dat er ook mensen zijn die dit wel herkennen.

Onze andere hond, is een lieve, fijne hond. Maar het is op en top een hond.
Van alle katten, die wij in ons leven hebben gehad – en dat waren er heel veel – was er één, die ook een waardige wijsheid uitstraalde en zo geheel anders was dan alle andere katten.
Ook bij onze pony’s zie ik dat terug. De een is gewoon een lieve pony, die dom achter je aanloopt of dom uit het weiland ontsnapt, alleen maar omdat het gras bij de buren groener is. De andere pony is gevoelig, heeft oog voor ons en voor haar omgeving en er is echt contact. Totdat je op haar rug gaat zitten, daar is ze minder van gediend. Maar dat vinden de meeste mensen ook niet prettig, hetgeen maar weer bevestigt dat zij meer mens dan dier is.

Terug naar Maxi.
Onze kinderen waren nog maar 10 en 8 jaar toen zij uit het dierenasiel een hond  mochten uitzoeken. Wekenlang belde ik met het dierenasiel, maar telkens was er geen hond beschikbaar. Ik begreep daar niets van. Alle dierenasiels zaten toch altijd overvol? Tot ik weer belde en te horen kreeg dat er de avond daarvoor een driejarige hond was gebracht. Enthousiast gaf ik aan dat wij direct zouden komen kijken. Aan de andere kant van de lijn klonk een aarzeling door. Het was geen ‘kijkdag’ en bovendien wisten ze nog helemaal niet of de hond wel met kinderen en katten kon omgaan. De hond was van een hoogbejaarde dame geweest en was er niet aan gewend om in een gezin te wonen. De vrouw moest hem wegdoen omdat ze hem – na een val – niet meer kon uitlaten. Het maakte mij allemaal niet uit en ik drong aan op een afspraak.
Nou vooruit, we konden komen.

De hondenafdeling van het asiel was inderdaad leeg, op één hokje na. Daar zat, helemaal achterin een angstig zwart-wit gevlekt hondje in een hoekje weggedoken. Toen de medewerkster hem tevoorschijn haalde, stond hij te trillen als een angstig juffershondje.
‘Dit is Maxi.’
Ik weet niet of het door zijn naam kwam, door de angst die hij uitstraalde of door zijn koddige lijf, maar de kinderen waren op slag verliefd op hem.
Mijn man en ik keken elkaar aan en lazen dezelfde gedachte in elkaars ogen. Dit was niet de hond, die wij zochten. Wij wilden een echte hond. Geen saucijsje dat bijna uit zijn vel knapte. Om het moment van beslissen nog even uit te stellen, vroegen wij of we hem even mee naar buiten mochten nemen. Buiten bleek pas goed dat Maxi niet gewend was om te lopen en vreselijk bang was. Hij stond al gauw stil, wilde niet verder en stond te trillen op zijn pootjes. Mooi, dit is het moment waarop de kinderen zullen zeggen dat ze hem toch saai vinden, dachten mijn man en ik opgelucht. Niets was minder waar. Maxi vertederde hen en ze wilden nog maar één hond en dat was Maxi.
Wij hebben onze teleurstelling weggeslikt. Geen stoere hond om lange tochten mee te maken en om je beschermd te voelen, maar een dikke rolmops.

Thuisgekomen met Maxi wees ik hem zijn kussen. ‘Dat is jouw plek, Maxi’.
Zo’n anderhalf uur later lag Max nog steeds danig onder de indruk op het kussen.
Toen ging ook mijn hart voor hem open.
Vanaf dat moment begon Max zich bij ons thuis te voelen. Tijdens onze wandelingen kon hij zijn geluk niet op en liep hij telkens rondjes om ons heen om zijn roedel – zijn familie – bij elkaar te houden.
Hij was zo blij. Maxi had niet alleen ons leven verrijkt, wij hadden ook zijn leven verrijkt.
De eerste keer dat we hem uitlieten, moesten we direct al kritiek incasseren.
Twee spelende jongetjes riepen ons na. ‘Haha, een gekrompen koe.’
Naast dat het eigenlijk komisch was, was het ook een opmerking om nooit meer te vergeten en die we nog vaak memoreren.

De kinderen hebben Maxi leren rennen. Dat kon hij niet. Hij was gewend om te worden uitgelaten op de middenberm van de drukke  De Lange Nieuwstraat in IJmuiden, waar de oude dame woonde. Er ging een wereld voor Maxi open toen wij hem meenamen naar de recreatieplas vlak bij ons huis en naar het strand. Hij genoot en kon steeds beter met de kinderen meerennen.

Toen we een huis in Drenthe zochten, ging Maxi elk weekend met ons mee.
Onderweg stopten we om hem uit te laten en even met de bal te gooien. Eenmaal een leegstaande boerderij naar onze zin gevonden, liet Maxi ook merken dat hij het er helemaal mee eens was. Als een haas sprong hij rond door de tuin, waarin het gras meer dan een halve meter hoog was en wij bij elke sprong zijn vrolijke kop boven zagen komen.
Tijdens het klussen sliepen wij met z’n allen – ja, Maxi ook – in slaapzakken in één van de kamers onder het rieten dak.

Nog uren kan ik doorschrijven over Maxi. Ook over zijn contact met andere mensen. Hij kende iedereen en was voor iedereen vriendelijk. Ook toen hij blind en doof werd en suikerziekte bleek te hebben. Nog steeds maakten wij mooie wandelingen met hem.
Niet meer over het strand, maar door het Drents Friese Wold.
Hij heeft het nog lang volgehouden, ondanks dagelijks tweemaal insuline spuiten, al werden de wandelingetjes wel steeds korter.

Toen wij twee jaar geleden door Tsjechië trokken en genoten van een heerlijke en vooral ook goedkope vakantie, werd Maxi – die we niet hadden meegenomen – ziek van heimwee naar ons en kwam in een dierenkliniek terecht. Uiteraard zijn we toen direct teruggereden naar Nederland, waar we hoorden dat Max nog een paar dagen opgenomen moest blijven. Zijn 5-daags verblijf daar bleek duurder te zijn dan onze hele vakantie was.
We hebben nog vaak grapjes gemaakt over Maxi’s luxe all inclusive vakantie terwijl wij met een trekkerstentje in het natte Tsjechië waren en elke keer verheugd uitriepen ‘Wat een heerlijke goedkope vakantie’.
Afgelopen jaar zijn we niet op vakantie geweest. We wisten nu dat Maxi niet meer zonder ons kon en wij waren veel te blij dat het weer goed was gekomen met hem. Zolang dat staartje bleef wapperen ten teken dat hij blij was en hij interesse bleef tonen in de omgeving en mensen om hem heen, was het goed. Mocht hij blijven. Ondanks het feit dat hij steeds meer zorg en aandacht nodig had.

In november ging het ineens heel slecht met hem. Zo slecht dat we – na 2 dagen opname in een dierenkliniek – geen andere keuze hadden dan hem te laten inslapen. We hebben hem toen naar huis gehaald en een afspraak voor de volgende ochtend gemaakt. Toen de dierenarts binnenkwam stond Maxi echter ineens op en liep zwaaiend met zijn staartje naar haar toe.  Het was alsof hij aanvoelde dat zijn doodvonnis was geveld en hij zelf aangaf er nog niet klaar voor te zijn. ‘Toch nog maar even aankijken,’ zei de dierenarts die ’s morgens mijn twijfels tijdens ons telefoongesprek had weerlegd door te zeggen dat zij de beslissing wel zou nemen. ‘Na het weekend moet hij zeker worden ingeslapen. Langer zal hij het niet redden.’
Zij kon niet weten dat Max letterlijk en figuurlijk een ‘die hard’ was.
Een vechter, die enorm aan ons hing en dan ook weer opknapte en zin in het leven had.

Een paar dagen geleden – 5 maanden na het bezoek van de dierenarts – echter begon hij met zijn achterpoten te slepen en kon hij letterlijk alleen nog maar lopen met vallen en opstaan. Hoe moeilijk ook, dit was voor ons het moment om te beslissen dat hij niet verder kon leven. Zo’n moeizaam bestaan wilden we hem niet aandoen.

Met pijn hebben we afscheid van hem genomen. Hij is waardig en rustig in zijn vertrouwde omgeving ingeslapen. We merkten ook dat hij het zelf goed vond. Hij heeft even naar de dierenarts op gekeken en legde toen zijn hoofdje berustend neer waardoor zij hem een slaapmiddel en vervolgens nog ‘het’ middel kon toedienen.
De dierenarts verdient een pluim voor de rustige en respectvolle manier waarop zij hem liet inslapen en ons verdriet de ruimte gaf.
Met het hele gezin om hem heen geschaard en met onze handen op zijn lijfje heeft Maxi zijn laatste adem uitgeblazen. Met mooie stemmige muziek op de achtergrond.
Nu heeft Maxi een mooi plekje in onze tuin.

Met Maxi hebben we de beste hond gehad, die we ooit hadden kunnen kiezen.
Gelukkig zagen onze kinderen indertijd direct wat een lief en bijzonder hondje er in Maxi school. Alsof zij wisten dat hij een vriend van het hele gezin zou worden.

Over de dagen na zijn overlijden wil ik het niet uitgebreid hebben.
Natuurlijk kun je het overlijden van een dier niet vergelijken met het overlijden van een mens, maar dierenliefhebbers weten dat het ook verdriet geeft als je huisdier overlijdt.
De tranen zitten hoog en komen op bij elke gedachte aan zijn lieve snoetje.
Bovendien is het erg leeg in huis. Max sliep voor de trap alsof hij ons allemaal bewaakte.
’s Morgens stond hij voor onze slaapkamerdeur op ons te wachten en volgde elke stap, die ik zette. Als de wc- of badkamerdeur voor zijn neus dichtging, dan bleef hij gewoon zitten wachten tot ik er weer uit kwam. Ik moest er altijd op bedacht zijn om de deur niet te wijd open te duwen en hem tegen zijn kop te stoten.
Kortom, het zal wel even duren voor we eraan gewend zijn dat Maxi er niet meer is.

Maxi’s leven is voltooid en ik ben blij dat ik hem al eerder een plekje in mijn boek De Voltooiing heb gegeven, waardoor hij toch een beetje vereeuwigd is.

Adieu Max!

Ik zie het voor mijn ogen gebeuren op een donderdagavond op een voor ons feestelijke datum.
De datum waarop onze zoon 21 jaar geleden in Indonesië geboren werd.
Via een keizersnede, maar dat is een ander verhaal.
Voor ons in ieder geval nog steeds reden genoeg om elke verjaardag met een etentje te vieren en daarvoor naar de stad af te reizen.
Niet wetende dat  deze avond ook de intocht van de avondvierdaagse plaatsvindt,
maar daar komen we al gauw achter.

Het valt niet mee om de stad, waar veel straten zijn afgezet, binnen te komen en vlakbij het besproken restaurant te parkeren.
Precies op het plein bij ‘ons’ Italiaanse restaurant vindt de intocht plaats.
Overal kinderen, bloemen, vlaggen, zwaaiende ouders en niet te vergeten de vrolijke muziek, ten gehore gebracht door een opvallend muziekkorps.
Onze zoon had zich geen feestelijker verjaardag kunnen wensen.
Achter een groot raam gezeten genieten wij vanaf de eerste verdieping van het restaurant van het spektakel op het plein.
Niets is leuker dan mensen kijken, hen een tijdje met je ogen te volgen en vervolgens weer op anderen te focussen.
Niet dat wij niets anders doen dan naar buiten kijken… maar nog niet eerder vond ik het geen probleem dat de rest van het gezin naar buiten gaat om een sigaret te roken. Normaalgesproken doen ze dat in tweetallen omdat het anders zo zielig voor mij is om alleen in het restaurant achter te blijven.
‘Ga maar met z’n vieren roken,’ spoor ik hen aan alsof ik het roken toejuich,
‘ik vermaak mij wel.’
De mensenmassa op het plein biedt mij voldoende vertier.

Het is alsof voor mij een levensgrote versie van het stripboek Waar is Wally? opengeslagen ligt, waarin menig tafereeltje te ontdekken valt.
Ik observeer en geniet.
Op het plein voor mij zie ik vrolijkheid, genegenheid en irritaties, vang ik een glimp op van onderlinge verhoudingen.

Kijk, die moeder, die zo uitbundig met een knalgeel vestje op een muurtje staat te swingen en de binnenkomende kinderen toejuicht. Armen in de lucht, een fanatieke blik op haar gezicht, haar dikke billen ver naar achteren gestoken en monotoon meebewegend met het gedreun van de drumband.

En die vader daar, een jonge trendy man met halflang kapsel. Strak in het pak en daardoor volledig misplaatst tussen de kleurrijke menigte in korte broek en op gympen.
Heeft hij zich moeten haasten om hier op tijd te kunnen zijn?
Hij houdt zijn kind bij de hand en samen bewegen ze hun handen heen en weer op de maat van de muziek. Naast hem staat nog zo’n businessman.
Ik zie de blikken die zij wisselen en hoor hun onuitgesproken vraag. ‘Kunnen we al weg?’
Binnen een paar minuten zijn ze vertrokken.

Opa’s en oma’s staan langs de kant, terrasjes zitten vol mensen die naar de menigte voor hen kijken terwijl zij hun wijn- of bierglas aan de lippen zetten en een schaaltje bitterballen leegeten.
Moeders en vaders met zakken snoep en bloemen staan langs de kant te turen en te wijzen ‘daar komt ons kind aan’. Om vervolgens hun handen in de lucht te steken en te roepen en te zwaaien.

Een stel trekt mijn aandacht. Op wie wachten zij? Is het een vader met zijn jonge vriendin? Zij is hip gekleed in een strakke lange broek, kort colbertje en staat op hooggehakte schoenen. Aan haar arm bungelt een handtasje, haar lange blonde haren omlijsten haar zorgvuldig opgemaakte gezicht. Zij staat stil en uitdrukkingsloos naast de man, wiens blikken ongedurig heen en weer schieten.
Als hij zijn kind – overduidelijk niet haar kind – ontdekt, trekt zij haar mond in een lach, die bevroren op haar gezicht blijft liggen.
Ze doet krampachtig haar best om een leuke stiefmoeder te zijn, maar het kind gunt haar nauwelijks een blik.

Mijn ogen dwalen verder en blijven rusten op een vrouw, die een gespannen trek op haar gezicht heeft. Ik zie dat  ook zij haar best doet om spontaan en blij over te komen, maar haar ogen doen niet mee. Ze kijkt treurig.
De vrouw is lang en slank en op een bepaalde manier mooi.
Niet knap, maar ze is apart om te zien.
Opvallend is dat het meisje naast haar een kopie van haar is.Ik schat haar een jaar of negen.
Het kind beweegt zenuwachtig heen en weer en schenkt al haar aandacht aan de vrouw, die voor haar staat.
Een vrouw  in de leeftijd van haar moeder, maar qua uiterlijk in alles haar tegenpool.
Klein, volslank – om niet te zeggen stevig – blond en gewoontjes gekleed.
De vrouw richt haar aandacht op het kind, net als de man naast haar.
Ik kan hem niet direct plaatsen, er is iets bekends in zijn gezicht, maar hoe past hij in het plaatje?
Alle conversatie tussen de vier is op het kind gericht.
Geen van de volwassenen kijkt elkaar aan.
De blonde vrouw en man praten niet tegen de moeder van het kind.
Zij wel af en toe tegen hen, zonder haar ogen op hen te richten.
De spanning straalt van hen allen af, ook van het kind dat té druk tegen de vrouw babbelt.
Mijn ogen gaan  weer naar de man en ineens valt het kwartje.
Ondanks het feit dat het meisje op haar moeder lijkt, zie ik ineens dat zij ook iets van hem heeft. Hij is haar vader!
Op hetzelfde moment dat ik mij dit realiseer, neemt het meisje afscheid van het stel.
Ze omhelst hen allebei – ik zie de spanning in haar rug – , het stel groet de moeder nonchalant zonder oogcontact met haar te maken en loopt zonder omkijken weg.
Achter hun rug zie ik hetgeen gebeuren, dat mijn hart breekt.
Moeder en dochter vliegen elkaar in de armen en het meisje snikt het uit.
Ze laten elkaar niet meer los en de moeder doet haar best haar kind te troosten.
Met hun armen om elkaar heen – het meisje nog steeds met haar gezicht snikkend tegen haar moeders buik aan – banen zij zich een weg door de feestende menigte.
Ik kijk hen met pijn in mijn hart na totdat ik ze niet meer kan zien.
Het andere stel gaat nietsvermoedend een andere richting op.
Hun wegen hebben zich letterlijk gescheiden.
Het verdriet van het kind blijft mij nog dagen bij.

Had ik maar niet zo van de stripboeken  Waar is Wally? gehouden!

Meer dan 400 jaar geleden vroeg Shakespeare’s Juliet (Julia, zoals wij haar kennen) zich dit ook al af:

‘What’s in a name?
That which we call a rose,
by any other name would smell as sweet.’

Voor Juliet stond haar liefde voor Romeo los van de vete, die tussen hun families bestond.
Het ging Juliet niet om zijn naam, maar om de persoon Romeo zelf.
Daar was zij hartstochtelijk verliefd op geworden.
Zelf zal ik ook zo gedacht hebben, toen ik – Marcella de Peuter – verliefd werd op iemand, die uitgerekend de achternaam Kleine droeg.
Kleine-de Peuter heten en dan ook maar een lengte van 1.57 m hebben…
Het had erger gekund.
Je zal 1.90 m lang zijn en De Kleine-Peuter (zoals veel mensen denken dat mijn naam is) heten.
Ik doe mijn naam tenminste eer aan. En ach, zeg nu zelf: What’s in a name?

Als kind had ik nooit moeite met mijn achternaam De Peuter, al droeg niemand in mijn omgeving deze naam. Buiten ons gezin dan.
Maar ik had in Brabant veel neefjes en nichtjes, die allemaal zo heetten dus zo vreemd vond ik mijn naam niet. Er er woonden daar ook veel De Peuter’s die geen familie waren.
Over de grens – in België – is Depeuter ook een veelgehoorde naam, al is de schrijfwijze anders.

Na mijn huwelijk droeg ik aanvankelijk vol trots mijn dubbele achternaam, al leidde dit nog al eens tot grapjes en gelach. Misschien dat ik daarom een aantal jaren later mijn meisjesnaam niet meer gebruikte toen ik aan een nieuwe job begon.
Marcella Kleine werd het en bleef het voor mij.
De bank dacht daar anders over en drukte op mijn bankpasje telkens weer mijn volledige naam af.
Ach, daar haalde ik mijn schouders over op.
Geen mens zal ooit bewust de naam op mijn bankpas lezen. Zelfs niet in een tijd, waarin we nog met betaalcheques betaalden en de handtekening vergeleken moest worden met de handtekening op de bankpas.
Dacht ik.

Ik had echter geen rekening gehouden met de medewerkster van een bouwmarkt in Velserbroek. Ondanks de lange rij achter mij, las zij mijn bankpas op haar gemak om vervolgens in schaterlachen uit te barsten.
‘Haha, deze combinatie heb ik nog nooit gezien.’

Ze bleef er bijna in, terwijl de mensen achter mij tevergeefs probeerden mee te kijken.
‘Ik lees altijd alle bankpassen op zoek naar gekke combinaties, maar deze…!
Haha, vorige week had ik nog een  Spijker-Broek, maar deze slaat alles.’

Gelukkig zag ik er zelf ook wel de humor van in, maar ik wist toch niet hoe gauw ik de pas uit haar handen moest grissen. Toen dat gelukt was, haastte ik mij met opgeheven hoofd en snelle passen de winkel uit.
Niet wetende dat het ooit nog gekker zou worden…

Dat was jaren later, nog niet zo lang geleden, toen ik in Drenthe met paard en al op straat viel. Mijn enkel en tenen braken onder het gewicht van mijn paard. Manlief  bracht mij snel naar de dokter, die ons doorstuurde naar het ziekenhuis in Meppel.
‘Ik bel de spoedeisende hulp alvast om te zeggen dat jullie er aan komen.’
Het was een geruststelling te weten, dat we niets hoefden uit te leggen in het ziekenhuis, maar direct in goede handen zouden zijn.
Bij het ziekenhuis heeft mijn man een rolstoel gehaald en mij naar binnengereden.
Tot onze verbazing echter wisten ze daar van niets.
‘Er is helemaal niet gebeld dat u binnengebracht zou worden.’
De receptioniste keek de lijst nog eens goed door.
‘Nee, echt niet. Er is wel door uw huisarts gebeld, maar dat ging over een kind.
Op de spoedeisende hulp verwachten ze een kleine peuter.

De hilariteit, die daarna ontstond, hoef ik niet uit te leggen.

Sindsdien heb ik mijn naam toch maar weer een beetje in ere hersteld en vermeld ik soms weer mijn dubbele achternaam. Bijvoorbeeld op de achterkant van mijn boeken.
Want zeg nu zelf ‘What’s in a name?